Eerdere Volgende

 

Nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet
(niemand kan meer recht op een ander overdragen dan hij zelf heeft)

Berolini

Prota - Zakenrecht

15 (en 46)

Oorspronkelijke  en  afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging; nemo plus-regel

Men verkrijgt de eigendom van een zaak door middel van n van de wijzen van eigendomsverkrijging. Aangezien het recht van eigendom zulke belangrijke bevoegdheden verleent aan de eigenaar, moeten ook de wijze en het tijdstip waarop die bevoegdheden verkregen worden met alle scherpte vaststaan. Men verdeelt de wijzen van eigendomsverkrijging in oorspronkelijke of originaire en afgeleide of derivatieve, naar gelang de eigendomsverkrijging is geschied zonder of met medewerking van de vorige eigenaar.

Bij de afgeleide wijzen van eigendomsverkrijging en in het algemeen van rechtsverkrijging stelt men zich het zo voor dat nzelfde recht achtereenvolgens aan meer rechtssubjecten toekomt, zoals men een voorwerp, bijvoorbeeld een boek of een steen aan een ander kan overhandigen. Een andere voorstellingswijze zou even goed mogelijk zijn geweest, namelijk dat het recht van de vroegere rechthebbende teniet gaat en dat ten behoeve van de nieuwe rechthebbende een nieuw recht ontstaat. Dat is echter niet de zienswijze van de Romeinen geweest en is ook niet de huidige; volgens de Romeinen bestaat er eenzelvigheid van het subjectieve recht vr en na de overdracht. Uit die eenzelvigheid van het recht bij afgeleide rechtsverkrijging volgt, dat omvang en aard van het recht van de nieuwe rechthebbende dezelfde moeten zijn als bij zijn voorganger. Want:

D. 50, 17, 160, 2 Ulpianus libro septuagensimo sexto ad edictum: Absurdum est plus iuris habere eum, cui legatus sit fundus, quam heredem aut ipsum testatorem, si viveret. Het zou absurd zijn als hij aan wie een stuk grond is gelegateerd meer recht had dan de erfgenaam of de erflater zelf zou hebben als hij nog in leven was.

Ulpianus gaat op dit beginsel nog eens uitgebreid in als hij spreekt over de overdracht door middel van levering:

D. 41, 1, 20 pr. en 1 Ulpianus libro vicensimo nono ad Sabinum: Traditio nihil amplius transferre debet vel potest ad eum qui accipit, quam est apud eum qui tradit. si igitur quis dominium in fundo habuit, id tradendo transfert, si non habuit, ad eum qui accipit nihil transfert. Quotiens autem dominium transfertur, ad eum qui accipit tale transfertur, quale fuit apud eum qui tradit: si servus fuit fundus, cum servitutibus transit, si liber, uti fuit: et si forte servitutes debebantur fundo qui traditus est, cum iure servitutium debitarum transfertur. si quis igitur fundum dixerit liberum, cum traderet, eum qui servus sit, nihil iuri servitutis fundi detrahit, verumtamen obligat se debebitque praestare quod dixit. De levering moet en kan niet meer overdragen op hem die ontvangt dan er is bij hem die overdraagt. Als derhalve iemand het eigendomsrecht had op een stuk grond, dan draagt hij dat door levering over; als hij het niet had, dan draagt hij niets over op de verkrijger.
Telkens wanneer echter de eigendom wordt overgedragen wordt het op de verkrijger z overgedragen als het was bij hem die overdraagt: als op het stuk grond een servituut rustte, dan gaat het over met servituten en al; als het onbelast was, dan zoals het was; en als er toevallig servituten waren ten bate van het stuk grond dat is geleverd, dan wordt het overgedragen compleet met het recht van de verschuldigde servituten. Als dan ook iemand heeft gezegd dat het stuk grond onbelast was, terwijl hij een met een servituut belast stuk leverde, dan doet hij in geen enkel opzicht afbreuk aan het recht van servituut op die grond, maar toch verbindt hij zich en zal hij moeten presteren wat hij gezegd heeft.

Het beginsel dat in bovenstaande teksten is uitgedrukt, namelijk dat niemand meer rechten op een ander kan overdragen, dan hij zelf heeft, wordt dikwijls aangeduid als de Nemo plus-regel, naar de twee beginwoorden van de aan Ulpianus ontleende zinspreuk:[1]

Nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet: Niemand kan meer recht op een ander overdragen dan hij zelf heeft.

Intussen zijn er op dit beginsel belangrijke uitzonderingen. Voor ons huidige recht hebben wij al gewezen op art. 3:86 BW, dat bepaalt dat onder bepaalde voorwaarden een beschikkingsonbevoegde, bijvoorbeeld een niet-eigenaar toch de eigendom van een roerende zaak overdraagt en de ontvanger dus meer recht verschaft dan hij zelf heeft. Deze mogelijkheid was aan het Romeinse recht onbekend. Toch kenden ook de Romeinen een gewichtige uitzondering, namelijk het geval waarin de schuldeiser-pandhouder bij nalatigheid van de schuldenaar het pand verkocht en door levering de koper tot eigenaar maakte.[2] Ulpianus:

D. 41, 1, 46 Ulpianus libro sexagensimo quinto ad edictum: Non est novum, ut qui dominium non habeat, alii dominium praebeat: nam et creditor pignus vendendo causam dominii praestat, quam ipse non habuit. Het is niet ongehoord dat hij die de eigendom niet heeft, een ander die eigendom verschaft: want namelijk de schuldeiser verschaft door de verkoop van het pand het recht van eigendom dat hij zelf niet heeft gehad.

 

bulletnemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet : niemand kan meer recht op een ander overdragen dan hij zelf heeft


46

Nemo plus-regel

Na de uitvoerige uiteenzettingen over de bezitsverschaffing (traditio) en over de titel (causa) kunnen wij korter zijn over het derde vereiste voor een geldige overdracht, het vereiste van de beschikkingsbevoegdheid (art. 3:84 lid 1). Allereerst is het goed vast te stellen wat dit betekent: de bevoegdheid om over een zaak of, zo men wil, over een goed te beschikken. Het beschikken over een goed houdt in het vervreemden of bezwaren van dat goed. Vervreemden is niets anders dan overdragen en bezwaren is het vestigen van een absoluut beperkt recht op dat goed. Dat kan zijn een beperkt genotsrecht, zoals het vruchtgebruik of een erfdienstbaarheid; het kan zijn een zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek. Vervreemden en bezwaren zijn typische beschikkingsdaden; de overeenkomst die tot de vervreemding of bezwaring leidt, bijvoorbeeld de koopovereenkomst of de hypotheekovereenkomst, is gn beschikkingsdaad maar een rechtshandeling, waarvoor men dus niet beschikkingsbevoegd, wl echter handelingsbekwaam moet zijn.[3] Zoals wij al hebben gezien in het hoofdstuk over Personen- en Familierecht is diegene handelingsbekwaam die in staat is geldige rechtshandelingen te verrichten. Voor het sluiten van een geldige koop- of huurovereenkomst moet men dus handelingsbekwaam zijn. Terwijl nu de koopovereenkomst een beschikkingsdaad ten gevolge heeft - de overdracht van de verkochte zaak -, leidt de huurovereenkomst net tot een beschikkingsdaad, want zij draagt geen absoluut recht over noch roept zij een absoluut recht in het leven; zij doet slechts een persoonlijk recht ontstaan en verschaft de huurder het houderschap van de gehuurde zaak.

In het algemeen is degene die het meest volledige recht op een zaak heeft, dat is de eigenaar, bij uitstek degene die beschikkingsbevoegd is. Toch is dit niet altijd het geval: aan iemand die failliet is verklaard wordt door de faillietverklaring de beschikkingsbevoegdheid ontnomen. Wl blijft hij eigenaar; de eigendom wordt hem met andere woorden niet ontnomen. Degene in het Romeinse recht tegen wie de praetor, missio in bona heeft verleend, verliest de bevoegdheid over zijn zaken te beschikken, ook al blijft hij daarvan eigenaar. Die bevoegdheid wordt toegekend aan de faillissementscurator of, in het Romeinse recht, aan diegene van de schuldeisers die door de anderen wordt aangewezen het vermogen en bloc te verkopen. Zoals wij in het hoofdstuk over procesrecht hebben gezien, wordt ook de koper van het vermogen, bonorum emptor, geen eigenaar van de aan hem geleverde zaken van de failliet, maar heeft hij een door de praetor onaantastbaar gemaakte positie die wij praetorisch eigendom hebben genoemd.[4]

Het vereiste van de beschikkingsbevoegdheid vloeit voort uit het algemene beginsel dat niemand meer recht op een ander kan overdragen dan hij zelf heeft, de zogenaamde nemo plus-regel: Nemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet.[5] De regel betekent niet alleen dat iemand die geen eigenaar is in beginsel een ander niet tot eigenaar kan maken, maar ook dat het recht dat men overdraagt op de ander overgaat met alle beperkingen die er eventueel op rusten. Is het recht bijvoorbeeld van een voorwaarde afhankelijk gesteld (art. 3:84 lid 4) of rust op het over te dragen goed een beperkt recht, dan verkrijgt de ontvanger een aan dezelfde beperkingen onderhevig goed.

Toch zijn er op de nemo plus-regel belangrijke uitzonderingen, in het huidige recht zelfs zulke belangrijke uitzonderingen dat zij zich vaker voordoen dan de regel zelf. In het Romeinse recht hebben we al gezien dat de pandhouder die ter executie de verpande zaak aan een derde verkocht en leverde, die derde eigenaar maakte.[6] Dat werd geconstrueerd alsof de pandhouder leverde in opdracht en met instemming van de eigenaar: voluntate domini. Lange tijd is ook in Nederland de executie van het verhypothekeerde goed gefingeerd als zijnde geschied met het mandaat, dat wil zeggen in opdracht van de schuldenaar-eigenaar: de zogenaamde mandaatsleer met betrekking tot de executie van het hypotheekrecht. Tegenwoordig erkent men dat de executerende hypotheekhouder een recht van eigen aard heeft.

De belangrijkste uitzondering op de nemo plus-regel vormt wel art. 3:86 BW: ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht van onder andere een roerende zaak geldig, indien de daadwerkelijke bezitsverschaffing anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.[7] Onze wet gaat nog verder en beschermt ook verkrijgers van onder andere onroerende zaken tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid is te wijten aan het feit dat bij vroegere overdrachten ooit iets mis is gegaan met de titel of de levering (art. 3:88). Als uitzondering op de nemo plus-regel is ook te beschouwen het verval van de op een roerende zaak rustende beperkte rechten (bijvoorbeeld het recht van pand) die de verkrijger niet kende noch behoorde te kennen (art. 3:86 lid 2). Ook dan immers wordt meer recht overgedragen dan de vervreemder heeft. In al deze drie gevallen beschermt de wet de goede trouw van de verkrijger; dat wil zeggen niet de werkelijke beschikkingsbevoegdheid doet eerst de eigendom overgaan, voldoende is de mening van de verkrijger omtrent de aanwezigheid van die bevoegdheid. Zulk een subjectieve gezindheid ten aanzien van de titel werd, zoals wij hebben gezien, beschermd in een abstract stelsel; zij wordt ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid beschermd in de hierboven aangegeven gevallen.

bulletbonorum emptor: koper van het vermogen
bulletmissio in bona: beslag op het gehele vermogen
bulletnemo plus iuris ad alium transferre potest quam ipse haberet: niemand kan meer rechten op een ander overdragen dan hij zelf heeft
bulletvoluntate domini: met de wil van de eigenaar

 

Voetnoten

[1]: D. 50, 17, 54.

[2]: Zie Z 46 en Z 74.

[3]: Zie PF 14 e.v.

[4]: Zie P 19 en Z 38.

[5]: D. 50, 17, 54 Ulpianus libro quadragensimo sexto ad edictum: Nemo plus iuris ad alium transferre potest, quam ipse haberet.

[6]: Zie Z 15 en Z 74.

[7]: Vgl. echter Z 53.

 

 

 

 

 


 

Ga naar  Hoofdmenu Hogere  van Rechtsgeschiedenis RuG

Deze pagina is een poging de feitelijke toestand weer te geven,
zoals die de maker, R.J.H. Brink,
op bovenstaande
( ... ) genoemde moment bekend was

Aanvullingen en/of suggesties aanbevolen: rjhbrink@hotmail.com

 
Geschiedenis
RuG
Faculteit
Wat doen we?
GOM
Subseciva
Samenwerking Medewerkers
Byzantijnse bibliografie
Studs Tentamen
Caroussel
Adagia
Vakken Strikt wetenschappelijk